Als je in Dublin op vakantie bent, kom je waarschijnlijk wel in een souvenirshop. Eén ding waar je dan níet omheen kunt, zijn leprechauns. De kleine kaboutertjes, die aan het einde van de regenboog een pot met goud bewaken, spelen al een lange tijd een grote rol in de cultuur van Ierland. Inmiddels zijn ze een van de dingen waar Ierland bekend om staat. Maar ze zijn niet altijd geweest zoals wij ze nu kennen.

“De eerste keer dat leprechauns in de Ierse literatuur voorkomen, is in de achtste eeuw”, vertelt Dr. Jacqueline Borsje, docent religiewetenschappen aan de universiteit van Amsterdam. Het woord leprechaun is een moderne vorm van het oud-Ierse woord luchorpáin dat ‘klein lichaampje’ betekent. Het verhaal waar dat woord voor het eerst in voorkomt, heet ‘Het avontuurlijke verhaal van koning Fergus Madeleine’. Deze legende gaat over koning Fergus die op reis is. Op een avond komt hij aan bij een zee-inham dat Loch Rudreige heet en daar valt hij in slaap. Zodra de koning slaapt, komen er kleine lichaampjes, leprechauns, uit het water om hem te ontvoeren. Maar als ze hem oppakken en naar het water dragen, wordt hij wakker. De koning grijpt om zich heen en hij pakt drie van de kleine wezens. Een van de wezentjes roept dan ‘een leven voor een leven’. Als de koning hen dus laat leven, krijgt hij daarvoor iets in ruil. In zijn geval krijgt hij de kracht om onder water te ademen, maar er zit een voorwaarde aan deze afspraak: hij mag niet in Loch Rudreige zwemmen.

De koning gaat akkoord met de voorwaarde en laat de wezentjes vrij. Hij reist verder en gaat iedere keer als hij bij een meer komt het water in. Op een dag komt koning Fergus terug bij Loch Rudreige en besluit toch te gaan zwemmen. Onder water vindt hij een monster dat zo eng is dat hij er heel hard van schrikt. Hierdoor vertrekt zijn mond in een angstgrijns die zich doortrekt tot zijn achterhoofd. Als de koning weer boven komt, moet hij van zijn wagenmenner eerst maar even gaan slapen, ‘want hij ziet er niet zo goed uit’. In werkelijkheid is koning Fergus verminkt door het beest, zijn mond is verstard. Intussen gaat de wagenmenner naar het paleis om te vertellen dat ze een nieuwe koning nodig hebben, aangezien de huidige koning is misvormd. In plaats van Fergus te vervangen, besluiten ze hem voor te liegen als hij weer terug is het paleis komt. Ze doen alsof hij er nog helemaal normaal uit ziet. Tot een bediende hem op een dag de waarheid vertelt en de koning er achter komt dat het monster hem heeft verminkt. Hij keert terug naar het meer om met het monster te gaan vechten. Na een lange strijd, waarbij het water rood kleurt, keert hij terug, met het hoofd van het monster in zijn handen. ‘Ik ben de overlevende!’ roept hij, maar vervolgens zinkt hij ineen en sterft hij alsnog.

“Dit verhaal laat zien wat voor wezens leprechauns eigenlijk echt zijn”, vertelt Borsje. “We zien ze altijd als vrolijke, vriendelijke wezens maar van origine zijn ze dat helemaal niet. Ze leiden je om de tuin door afspraken met je te maken die je vaak niet na kunt komen. Natuurlijk had de koning ook gewoon niet in dat meer kunnen gaan zwemmen, maar daar zijn mensen veel te nieuwsgierig voor. Dit soort dingen gaan altijd fout in oude verhalen.”

Het verhaal van koning Fergus laat zien hoe leprechauns zijn ontstaan, maar door de jaren heen is het een heel ander verhaal geworden. Van het verhaal bleef niet veel meer over. Zo zijn de leprechauns geworden zoals we ze nu kennen: kleine groene kabouters die een pot met goud aan het einde van de regenboog bewaken.

Volg ons ook op instagram: @dublin_travelers