De Kinderombudsvrouw riep deze week de overheid op om Nederlandse kinderen in Irak en Syrië zo snel mogelijk terug te halen. De kinderen, die volgens haar onder erbarmelijke omstandigheden vastzitten in strafkampen, mogen niet het slachtoffer worden van de keuzes van hun ouders, aldus de ombudsvrouw.
De Stichting Werkgroep Herkenning, een platform voor NSB-kinderen, deed hiervoor al eerder een oproep in de landelijke media.
De secretaris, Jeanne Diele-Stael, zelf kind van een NSB-vader, vertelt uit eigen ervaring hoe traumatisch het is als je als kind de dupe wordt van de foute keuzes van je ouders.

Haar stem klinkt nog ferm en resoluut, ondanks haar hoge leeftijd. Jeanne Diele-Stael (80): “Deze kinderen moeten teruggehaald worden! Dat is hard nodig! De kinderen van het kalifaat zijn niet schuldig, we kunnen ze niet behandelen als daders. De toestanden in die opvangkampen zijn heel slecht. De Nederlandse regering heeft de morele plicht ze terug te halen. Met of zonder toestemming van de ouders.”
De situatie van de kalifaatkinderen is te vergelijken met haar eigen jeugd, zegt ze. “We zijn lotgenoten, want er gebeurt nu hetzelfde als na de Tweede Wereldoorlog. Kinderen van foute ouders worden weer gezien en behandeld als daders. Laten we dat asjeblieft niet doen!” Het is een zin die ze vaak herhaalt. “Laten we dat niet doen!”
Jeanne Diele groeide op in Almelo. “Als een gewoon meisje, net zoals de kinderen in mijn buurt. Mijn vader was drogist, hij is twee keer failliet gegaan. Ik denk dat hij door financiële omstandigheden bij de NSB is gegaan. De economie was veel beter in Duitsland en mijn vader was niet zo politiek bewust. Hij ging – denk ik – voor wat hem beter leek. Maar dat weet ik niet zeker, we hebben daar nooit over gepraat en ik heb het hem nooit gevraagd.”
In 1942 kwam haar vader ineens thuis in een uniform, Jeanne was drie jaar. “Ons werd verteld dat papa bij de politie was gegaan en dat hij de orde moest handhaven. Als hij zijn grote, zwarte laarzen uitschopte, was hij gewoon weer mijn papa.”
In 1943 hoefde de kleuters ineens niet meer naar school. “We waren veel thuis of op straat. Maar van de een op de andere dag mocht ik niet meer meespelen van de andere kinderen. Ik dacht bij mezelf: ik ben geen leuk meisje. Mijn moeder zei dan dat het wel weer overging. Maar het ging niet over. Ik heb een jaar lang alleen in de tuin gespeeld, dat was zo saai. Ik heb al die tijd gedacht dat niemand met me wilde spelen omdat ik onaardig of vervelend was.”
Op Dolle Dinsdag in 1944, vluchtten veel NSB’ers naar Duitsland, vertelt ze. “Wij, mijn twee broertjes, mijn moeder en ik gingen met de trein naar Hamburg. We waren vluchtelingen, net zoals 6000 andere moeders en kinderen. Eerst sliepen we in een schoolgebouw, dat diende als noodvoorziening. Daarna werden we opgevangen bij een boerengezin. Maar die zaten daar helemaal niet op te wachten. Ze hadden een jongetje van mijn leeftijd, dat vond ik zó spannend. Ik wilde dolgraag weer met andere kinderen spelen. Maar hij kwam pal voor mij staan en riep ‘Sie sind Landesverräter!’ Jullie zijn landverraders. Hij wilde helemaal niet met mij spelen.”
Jeanne en haar broertjes moesten naar een Duitse school. Voordat de kinderen het schoolgebouw ingingen, deden ze de Hitlergroet. “Ik wist niet wat het was, ik dacht dat ze zo de juffrouw begroetten. Ik was heel trots dat ik het na kon doen. Mijn oudste broer deed niet mee en na school vroeg hij mij waarom ik dat wel deed. Hij legde uit dat het een Hitlergroet was en dat Hitler de oorlog had veroorzaakt. Ik was jong, maar ik wist wel dat de oorlog niet fijn was en besloot de Hitlergroet nooit meer te doen.” Het gevolg was dat Jeanne en haar broers enorm werden gepest door de Duitse kinderen, vertelt ze. “Ze riepen ons vaak na: ‘Sie sind Landesverräter!’
Jeanne was zes jaar toen het gezin weer terugging naar Almelo. Onderweg werd de trein beschoten. “We moesten ons onder een wagon verstoppen. Dat was de eerste keer dat ik doden zag. Er lag een klein meisje naast mij. Ik dacht dat ze sliep, ik zei nog: ‘Kijk mama, ze is wel heel erg moe.’ Maar ze was dood.”
Later hoorde Jeanne dat de Duitsers haar vader tijdens de oorlog dwongen om op zoek te gaan naar onderduikers en verborgen radiotoestellen. “Als hij dat niet deed, zou hij worden geëxecuteerd. Ik weet dat hij minstens een Joods gezin heeft verraden. Van dat gezin is later nooit meer iets vernomen. Lang heb ik gedacht: wat moet ik nou met zo’n vader? Ook toen hij al lang dood was.”
Na de oorlog werd haar vader veroordeeld als landverrader en gevangengezet. Maar ook Jeanne werd dagelijks geconfronteerd met de foute keuze van haar vader. “In de klas moest ik altijd alleen achterin zitten. Koninginnedag mocht ik niet vieren. Ik weet nog dat de juf zei: “Sjaantje, morgen is het Koninginnedag. Dan hoef jij niet te komen.’
Toen ze twaalf jaar was, werd haar vader vrijgelaten uit de gevangenis. “We verhuisden naar Den Haag omdat hij daar werk had gevonden. Ik vertelde daar niemand dat mijn vader NSB’er was. Ik heb er een gelukkige tijd gehad. Je denkt dat je gewoon als ieder ander bent, maar onbewust ben je toch voor de rest van je leven getraumatiseerd. Volgens mijn dochters doe ik extreem mijn best om aardig gevonden te worden. Ik ben bang om dingen fout te doen. “
“De geschiedenis herhaalt zich nu. Dankzij de media weten we wat er in Syrië en Irak gebeurt, ook met de kalifaatkinderen, maar niemand wil ze hebben. Ik denk ook niet dat het gemakkelijk is, maar we hebben de plicht om die kinderen te redden. Ze zijn onschuldig, de meesten zijn nog kleuters! Bij ons begrepen mensen ook niet dat we slachtoffers waren, laten we dezelfde fouten niet opnieuw maken. Bovendien, het blijven Nederlanders. Als ze het overleven, zullen ze toch een keer terugkomen. En dan is het risico dat ze geïndoctrineerd zijn groter. Oudere kinderen van fanatieke NSB’ers leerden op de Reichschule ook hoe ze een geweer moesten gebruiken. Die werden even goed geïndoctrineerd.”
De Kinderbescherming heeft onlangs contact opgenomen met de Werkgroep Herkenning, vertelt Jeanne. “Ze willen graag onze hulp als ervaringsdeskundigen als de kinderen straks teruggehaald worden. We hopen dat we ze kunnen helpen. Er is voor een kind niks erger dan je een outcast voelen.”