Het wordt beschreven als een van de meest ‘haunted’ plekken ter wereld. De Greyfriars Kirkyard in Edinburgh, Schotland. Ooit was dit een dal, aan de voet van Greyfriars Kirk. Over de jaren heen is het een opstapeling van stoffelijke overschotten geworden. Tegenwoordig is het een heuvel rondom de kerk. Er zijn talloze verhalen over deze plek en er zijn bijna elk moment van de dag ‘ghost tours’ die de ronde doen. Verhalen over een poltergeist, bodysnatchers, plague pits… er is zelfs een deel van de begraafplaats afgesloten omdat er te veel klachten kwamen van mensen die daar werden aangevallen door iets paranormaals. Mythe? Waarheid? Zoals meestal, een beetje van beide.

Bloody Mackenzie

Wie een rondje loopt over de Greyfriars Kirkyard zal snel merken dat je hier nooit alleen bent. Dat ligt niet aan een eventueel griezelig gevoel dat je wordt bekeken, maar meer aan de drommen van toeristen die de begraafplaats elke dag platlopen. Daarnaast word de graveyard door stadsbewoners meer gezien als park, waardoor er altijd wel iemand even zijn of haar lunch verorberd of een boek leest. Het maakt de plek een stuk minder griezelig dan wat je je voorstelt als je de verhalen hoort die de ronde doen erover.

Geschiedenis en paranormaal mengt zich in het verhaal over de Mackenzie poltergeist. George Mackenzie was een advocaat in de 17e eeuw. Hij verkreeg de bijnaam ‘Bluidy (Bloody) Mackenzie’, door zijn strenge optreden tegen de zogenaamde Covenanters, aanhangers van de presbyteriaanse kerk die werden vervolgd door koning Charles ll voor hun geloof. Het deel van de Kirkyard dat nu is afgesloten wordt de Covenanter’s Prison genoemd, aangezien dit veldje – tegenwoordig gevuld met mausoleums – werd gebruikt om Covenanters achter slot en grendel te zetten. Er wordt zelfs gezegd dat de Covenanter’s Prison het eerste gedocumenteerde concentratiekamp in de westerse wereld is. De Covenanters die hier vast zaten mochten niet met elkaar praten, ze hadden geen onderdak en kregen niet genoeg te eten. Één van de vele verhalen over de gevangenis is dat stadsbewoners uit medelijden eten over de muren gooiden. Mackenzie stelde daarop gelijk de regel in dat Covenanters die dat eten aanraakten moesten worden geëxecuteerd.

Zo zijn er over Mackenzie’s wrede regels voldoende andere verhalen. Deze zijn echter niet de reden dat er nu wordt gelooft dat hij de poltergeist is van de begraafplaats. Mackenzie was dan een controversieel persoon, zijn dood was niet bepaald spraakmakend. Hij werd begraven in een mausoleum naast de Covenanters prison en voor een tijd was het rustig. Al werd er kort na zijn dood al gesuggereerd door een schrijver dat het zou spoken in het mausoleum, de poltergeist verhalen zijn pas bij een redelijk recent verhaal begonnen.

Ontwaken van de poltergeist

Dit is waar de legendes een onderdeel gaan spelen, twee om precies te zijn. De één is makkelijk te achterhalen, de andere is meer hearsay dan feit. Dat laatste verhaal speelde zich af ergens in de 20ste eeuw. Als we het moeten geloven zou een dakloze man hebben ingebroken in het Mackenzie mausoleum, opzoek naar onderdak voor de nacht. Hij daalde de trappen af en stuitte op de grafkist van George Mackenzie. Hij zou geprobeerd hebben de kist open te breken, opzoek naar waardevolle spullen. De grond zou toen zijn opengebroken of verzakt, waardoor de man terecht kwam in een oud en vergeten massagraf voor middeleeuwse slachtoffers van de pest. Zijn reactie was een logische: hij begon te schreeuwen en maakte dat hij weg kwam. Dit is waar het verhaal begint te vervagen. Volgens sommigen kwam hij tijdens zijn vlucht uit het mausoleum een bewaker tegen, volgens anderen een man die simpelweg zijn hond aan het uitlaten was. In een komisch Scooby-Doo-achtig scenario renden ze een tijdje achter elkaar aan in doodsangst, waarna er nooit meer iets is vernomen van de dakloze man.

Een meer betrouwbaar verhaal wat de paranormale activiteit rondom te begraafplaats zou kunnen hebben ontwaakt draait om een groep jongens die in 2002 inbraken in het mausoleum. Dit keer was het zeker niet per ongeluk toen ze de grafkist van George Mackenzie tegenkwamen en openbraken. Ze onthoofden Mackenzie’s stoffelijk overschot en gebruikte het hoofd onder andere als voetbal en handpop. Nogal luguber en vrij redelijk dat men daar als spook boos over zou kunnen worden.

Extra zakgeld? Verkoop een lijk

Een ander, minder spookachtige kant van de Kirkyard’s geschiedenis is die van de grafrovers – ook wel bodysnatchers genoemd – en zogenaamde plague pits, massagraven voor slachtoffers van de pest.

Elke dag als wij van ons appartement naar het centrum van Edinburgh liepen kwamen wij langs een club genaamd Burke and Hare. De naam viel ons pas op na een paar dagen. Deze club is vernoemd naar Schotland’s grootste serie moordenaars. In 1828 hebben zij binnen een periode van 10 maanden 16 moorden gepleegd. Wat deden ze met de lijken? Geld verdienen.

Edinburgh liep voor op de meeste landen in Europa als het ging om anatomische studies. Daar dreigde een eind aan te komen toen er en tekort aan lichamen was om te onderzoeken en mee les te geven aan studenten. De enige lijken die hiervoor namelijk in aanmerking kwamen waren van mensen die waren gestorven in een gevangenis, mensen die zelfmoord hadden gepleegd, of weeskinderen. Robert Knox van de universiteit in Edinburgh beloofde daarom iedereen die hem een lijk bracht te betalen, mits de lijken vers waren en er geen sprake leek te zijn van moord of andere ongure zaken. Dit bracht een levendige handel in lijken op gang. Bodysnatchers observeerden vaak overdag wie er werd begraven en ‘s nachts groeven ze het verse stoffelijk overschot dan weer op om te verkopen.

Uiteindelijk werden hier maatregelen voor genomen. Er kwam een ‘mortsafe’, een soort kooi die over een graf werd heen gezet tot het lijk zo vergaan zou zijn dat niemand het meer zou willen opgraven. Ook hielden nabestaanden soms de wacht bij het graf van de overledene ’s nachts – hier komt de term ‘graveyard shift’ vandaan. Zodoende werd het steeds lastiger en als men wel de mogelijkheid had een lijk weer op te graven was het sowieso zwaar werk.

William Burke en William Hare kozen een wat makkelijkere aanpak. Ze verhuurden kamers in hun huis. Hoe ze met hun murder spree zijn begonnen is niet precies duidelijk, maar Burke en Hare besloten een extra zakcentje te verdienen met het vermoorden en verkopen van hun huurders. Ze voerden hun slachtoffer dronken en als hij of zij dan bewusteloos raakte sloegen ze toe. De één ging op de borst van het slachtoffer zitten, de ander hield de mond en neus dicht tot het slachtoffer stikte. Zo waren er geen sporen van moord en had de universiteit geen reden om vragen te stellen. Uiteindelijk zijn ze gesnapt toen iemand hun laatste slachtoffer ontdekte.

Vergeten massagraven

Voor de plague pits moeten we nog een eindje verder de geschiedenis in. De pest heeft meerdere malen huisgehouden in Edinburgh. Het eiste een hoop levens, vooral in Mary King’s Close. Als je daar meer over wil weten moet je dit artikel lezen. Voor nu houden wij het bij wat er gebeurde als de slachtoffers eenmaal waren overleden.

En er gebeurde eigenlijk niet zo veel. Als je rijk was en familie had die een goede begrafenis kon betalen viel het nog mee, maar de meeste slachtoffers waren arm. Er vielen zo veel doden tegelijk dat de stad het bijna niet meer aan kon en er was zeker geen tijd om iedereen een beschaaft afscheid te geven. De lichamen werden in grote kuilen gegooid, massagraven. Die werden dan zo snel dichtgemaakt uit angst voor de ziekte dat niemand nu weet waar al deze plague pits precies zijn. Soms wordt er per ongeluk een gevonden, bijvoorbeeld als een dakloze man door de vloer van een mausoleum zakt.

Puntje van de ijsberg

Of het definitief spookt op de begraafplaats is natuurlijk niet te bewijzen. De één gelooft erin, de ander niet. Dat het een toeristische trekpleister is, is in ieder geval zeker. En met zo’n levendige geschiedenis – waarvan we hier alleen nog maar het puntje van de ijsberg hebben belicht – is dat niet gek. Wil je meer zien en weten over Greyfriars Kirkyard? Kijk dan hier, voor een interview met een van de vele tour guides die hier dagelijks komen, en met de ‘onofficiële’ historicus van de Kirkyard, Bert Hutchings.

Een deel van de informatie in dit artikel komt uit een interview met Bert Hutchings.