Protesteren lijkt niet meer van deze tijd.  Op social media laten steeds meer mensen hun mening horen, over alles wat hen wel én niet aanstaat. Is social media de ‘hooivork’ van de toekomst?

Judith Schuttevaer is student en lid van Dwars, een jongerenorganisatie van Groenlinks. “Tot nu toe heb ik één keer geprotesteerd. Dat was tegen het leenstelsel. Het was heel  leuk om daar met een hele groep te staan.” Bezig zijn met wat er in de samenleving gebeurt, was een van de redenen voor Judith om lid te worden van Dwars.

Social media

Jacquelien van Stekelenburg is socioloog aan de Vrije Universiteit Amsterdam, gespecialiseerd in protest.  Van Stekelenburg: “Op zich is het logisch dat er eerder geprotesteerd wordt op Facebook. Het kost je minder tijd en geld, er zijn minder risico’s aan verbonden en er is geen sociale beweging voor nodig.” Ook Schuttevaer vindt dit. “Ergens op klikken is makkelijker dan er de hele dag staan. Ik teken af en toe een online petitie, maar verder niet.”

 

12524057_1059451107427364_33712146430820731_n
                           Judith Schuttevaer

Protesteren op internet heeft niet precies dezelfde reactie als protesteren op straat, hoewel er wel positieve gevolgen kunnen zijn.  “Er is steeds meer  interactie tussen de klassieke media, bijvoorbeeld krant en tv, en sociale media. Door protesten op sociale media kan  een onderwerp dus eerder de klassieke media bereiken”, aldus van Stekelenburg.

Milieu voor salaris

Over het algemeen zijn de kwesties waarover mensen protesteren onder te verdelen in twee categorieën: materiële  en postmateriële waarden. Als het goed gaat in een land zal er eerder geprotesteerd worden voor postmateriële waarden, zoals het milieu. Toch wordt er ook voor materiële waarden geprotesteerd, zoals het omlaag gaan van salaris.

Onderhandelen

Volgens haar wordt er niet zo veel geprotesteerd in Nederland. “Uit onderzoek blijkt dat er in Nederland ongeveer zeven procent van de bevolking wel eens protesteert. In Frankrijk ligt dit percentage veel hoger. Het percentage is daar veertig procent.” Nederlandse vakbonden onderhandelen eerst, aldus van Stekelenburg.