Studenten blijven massaal naar Tilburg trekken. Waar het landelijk gemiddelde van vooraanmeldingen op 11 procent ligt, geldt voor Tilburg een gemiddelde van 23 procent. Deze cijfers heeft Studielink gepubliceerd. Dat klinkt allemaal erg positief, maar kan Tilburg dit grote aantal studenten wel aan?

Het groeiende aantal studenten kan een probleem zijn voor de universiteit. Machiel Hermans van Fractiefront, de vereniging die studenten vertegenwoordigt in Tilburg, kan hier meer over vertellen. “Of Tilburg klaar is voor meer studenten betwijfel ik. Dan moeten de capaciteiten worden uitgebreid. Er zijn te weinig studieplekken en het aantal docenten zal moeten worden uitgebreid. Er wordt nu wel gebouwd aan een Onderwijs & Zelfstudie Centrum (OZC) om deze capaciteiten te versterken.” In dit OZC zullen onder meer collegezalen en zelfstudieplekken aanwezig zijn.

De huisvesting in Tilburg is nog vrij goed voor Nederlandse studenten, aldus Hermans. Maar voor internationale studenten ziet het er minder rooskleurig uit. “Het is lastiger voor hen een kamer te vinden. Wat de Universiteit van Tilburg aanbiedt heeft steeds vaker geen plek meer voor ze. Talent Square, een campus waar meer dan 700 studenten kunnen wonen, zit bijvoorbeeld steeds vaker vol. Daarnaast zijn de Nederlandse studentenhuizen minder gewillig internationale studenten in huis te nemen.”

Meer studenten in de stad betekent ook meer studenten die naar baantjes op zoek gaan in Tilburg. “Met de komst van het leenstelsel is het voor studenten steeds populairder om een baantje te zoeken.” Of dit een probleem zal zijn in de binnenstad is volgens Fractiefront nog niet zeker.

De populariteit van Tilburg is voor Fractiefront niet vreemd.  “In Tilburg zijn veel opleidingen die in de internationale ranglijsten staan. Daarnaast hebben we een campus die erg aantrekkelijk en gezellig is. We beschikken ook nog over een bruisend stadscentrum. In 2013 waren we uitgeroepen tot meest goedkope studentenstad van Nederland. Die prijs hebben we gekregen dankzij onze gemiddelde huur- en bierprijzen.”