Krabben, schoppen, knijpen en je tegenstander onder water duwen: het gebeurt allemaal in de hitte van de strijd. Waterpolospelers zijn niet vies van fysiek contact. Tim Schalken (21) speelt op hoog niveau waterpolo. “Van een trap kijk ik niet eens meer op.”

Als er bij voetballer iemand tackelt, ziet zowel het publiek als de scheidsrechter het meteen: het is een overtreding. Maar bij waterpolo ligt dat niet zo makkelijk. Veel van de pesterijtjes gebeurt stiekem onder water.
Kemi Dijkstra (18) studeert en waterpoloot in Amerika. Als zij het zwembad in duikt gaat er een knop om en gedraagt zij zich als een bitch. “Ik pak badpakken vast en ik trap mijn tegenstanders onder water. Mijn eigen benen zitten onder de littekens, omdat we elkaar veel krabben.”
Dat er een dergelijk verschil is tussen het mannen- en vrouwenspel is niet verassend. Het spel bij de heren gaat veel sneller, maar fysiek liggen de twee ook een eind uit elkaar. “Soms zie ik twee teams aan komen lopen en denk ik meteen: jullie zijn hier maar met één doel naartoe gekomen: gemeen zijn,’’ vertelt eredivisiescheidsrechter Rik Evers (20). “Bij vrouwen is dat al helemaal erg. Het verschil is zo groot dat ik me als scheidsrechter ook anders positioneer. Bij mannen zorg ik dat ik rechtstreeks het duel inkijk. Bij vrouwen ga ik erachter staan, omdat ik weet dat zij elkaar stiekem onder water bij het badpakken pakken of knijpen. Op die manier kan ik het beter zien.”

Dat het er bij de sport dus hard aan toe kan gaan is een feit, maar ergens moet er een grens getrokken worden. Het ene gebeurt met opzet en het andere per ongeluk, al is het lijntje tussen die twee soms erg dun.
Tim is tijdens een wedstrijd een gebroken neus geslagen: “Een jongen raakte me met zijn ellenboog vol in mijn gezicht. Het was een situatie waarin hij die beweging kon maken, maar niet met zo veel kracht. Op zo’n moment ligt het eraan hoe de scheidsrechter het interpreteert.”
Rik heeft als ex-speler een voordeel. Hij weet wat de tactieken en trucjes zijn en doorziet die ook. Maar er zijn altijd momenten waar je nooit op voorbereid kan zijn. “Ik floot een keer een wedstrijd van twee herenteams. Het ging erg goed, tot een speler een ellenboog uitdeelde. Ik gaf hem een rode kaart en hij moest het water uit. Een paar tellen later sprongen beide teams allemaal het water in en begonnen met elkaar te vechten. Eerst schrok ik, maar daarna begon ik meteen met het tellen van alle capnummers. Ik moest meer dan veertien mensen een rode kaart geven…”

De woorden: ‘Wat de scheids niet ziet, kan hij niet afkeuren’ zijn bij geen enkele sport toepasselijker dan waterpolo. Maar ziet hij het wel, dan wordt er hard opgetreden.