Vruchtbaarheidsarts Jan Karbaat heeft zijn eigen sperma gebruikt bij tientallen cliënten van hem. Naast deze kinderen, zijn er nog een aantal op zoek naar hun biologische vader. Hoe gaat dat in zijn werk?

De arts, die inmiddels overleden is, heeft in het Medisch Centrum Bijdorp bij minimaal 49 cliënten zijn eigen sperma gebruikt. Dit is voortgekomen uit DNA-onderzoek dat in februari startte, nadat de verwekte kinderen hoorden dat zijn sperma voor het onderzoek gebruikt mocht worden.

Het taboe doorbreken
Kinderen die via een spermadonor verwekt zijn, weten dit vaak niet meteen. “Ik was drie jaar oud toen mijn ouders tegen mij vertelden dat ik was verwerkt door een anonieme donor”, zegt Ties van der Meer van Stichting Donorkind.“Veel ouders houden geheim dat hun kind via een donor is verwekt, of onterven zelfs hun kind als deze daarachter komt. In ons gezin was dat taboe er niet. Ik heb een geadopteerde broer uit Colombia, dus die drempel is bij ons veel lager. We zijn samen op zoek naar onze biologische vaders.”

Dat ze kinderen niet over een spermadonor vertellen, ligt volgens Van der Meer aan de arts. “Artsen weten hoe ze sperma in moeten brengen, maar zien niet het sociale aspect. Ze denken niet mee met het kind dat daaruit wordt geboren en vertellen aan de ouders dat ze de vader geheim moeten houden.”

Stichting Donorkind is in het leven geroepen om donorkinderen met elkaar in contact te brengen. “Kinderen kunnen aan elkaar hun verhalen kwijt. Ze zien in dat ze niet de enige zijn die via een spermadonor zijn verwekt, voelen zich hierdoor betrokken en niet anders dan andere kinderen.”

Wij spraken Els Leijs, specialist in het vinden van biologische familieleden, over de in’s en out’s van zaaddonatie en het gevaar van de acties van Karbaat.

Vruchtbaarheidsarts Karbaat
Jan Karbaat heeft zijn eigen sperma gebruikt, naast de vaste donoren die hij had. “Hij had spermadonoren die soms wel drie keer per week sperma brachten – en dat tien jaar lang”, zegt familiedetective Els Leijs. “Dat betekent dat Karbaat deze donoren te veel gebruikt heeft. Er zijn dus grote groepen met dezelfde vader. De grens van 25 kinderen per donor heeft hij fors overschreden in dezelfde regio, namelijk Rotterdam.”

Dat een arts zelf bij moet springen als donor, komt vaker voor. “Dit kan een noodoplossing zijn geweest: vroeger moest alles vers zijn. Niets werd ingevroren. Als de donor niet kwam opdagen, moest de arts zelf bijspringen. Bij Karbaat is dat ontaard. Inmiddels zijn dat boven de vijftig kinderen en dat kunnen er zelfs meer zijn.”

Bij stichting Donorkind hebben ze deze zaak op de voet gevolgd. “Wij zijn hier al meer dan zeven jaar mee bezig. Er waren destijds al vermoedens dat Karbaat zich niet aan de regels hield en zijn dossiers niet op orde had. Bij onze stichting zitten ook kinderen die hem als mogelijk biologische vader hebben. Om die reden hebben we in 2012 een advocaat ingeschakeld die ons heeft ondersteund bij deze zaak.”

Vader nog niet gevonden
De uitslag van dit onderzoek is met groots gejuich ontvangen bij de stichting. “Dit is een historische dag voor ons als stichting. Eindelijk weten de kinderen wie hun biologische vader is en wie hun halfbroers en -zussen zijn.” Een aantal kinderen zijn geholpen, maar vele weten het nog niet. “Er zijn nog tienduizenden donorkinderen in Nederland die dat niet weten of op zoek zijn naar hun biologische vader”, zegt Leijs. “Zelf ben ik nog steeds op zoek naar mijn biologische vader. Ik hoop hem nog in levende lijven te ontmoeten. Tot die tijd hoop ik dat meer mensen zich aanmelden bij een DNA-databank, zodat hij eerder gevonden gaat worden”, zegt Van der Meer.

Loading...

Loading…