TILBURG – “Ik huil mezelf altijd in slaap de dag voordat we gymles hebben en begin me heel depressief te voelen.” “Ik blijf liever vier uur na, dan dat ik twee uur moet gymmen.” “Elke gymles voelt als een excursie naar het slachthuis.” Online fora staan er vol mee; kinderen en jongeren die bang zijn voor gymles. Of je het nu zelf was of niet, iedereen kent wel iemand in zijn of haar klas die het doodeng vond om te gymmen.

Een grote nachtmerrie

Voor sommige jongeren begint het al in de kleedkamer, een plek waar je ontzettend kwetsbaar bent. Voor de ander gaat het juist om de gymles zelf. Je moet een koprol maken terwijl je helemaal niet over de kop durft. Je moet op een kast springen terwijl je dat nog nooit gelukt is. Je moet meedoen met softbal terwijl je die bal helemaal niet kunt slaan, vangen of gooien. Altijd wordt je als laatste gekozen. Als je iets voor moet doen, lacht bijna de hele klas je uit. Zo kun je nog wel even doorgaan. Voor een grote groep mensen was en blijft gymles een grote nachtmerrie.

Begrip voor de angst is er vaak niet. Medestudenten, leraren en zelfs ouders leggen vaak een verband met iets waar het totaal niet mee te maken heeft, bijvoorbeeld luiheid. Elise van Weenen is al twintig jaar gymdocent. Ook heeft ze een opleiding gevolgd om Motorisch Remedial Teacher te worden, waar ze na haar afstuderen zelf aan de slag is gegaan als docent. Van Weenen kwam er al snel achter dat het niet alleen maar met motoriek te maken heeft dat kinderen bepaalde onderdelen niet kunnen. “Kinderen zijn soms sociaal emotioneel bang om bepaalde taken met leeftijdsgenoten te doen omdat ze zich daar nog niet competent genoeg in voelen.”

Bal in je gezicht

Zelf werkt Van Weenen op een middelbare school. Daar is het volgens haar al minder. “In de brugklas krijgen ze wel de tijd om hun angsten in te vullen. Ze bepalen zelf hoe ze dat doen, zo is het enigszins beschermd dat ze bepaalde dingen niet durven.” Bij Van Weenen zijn er wel eens brugklassers die zeggen dat ze iets niet gaan doen omdat het eerder al helemaal mis is gegaan. “Dan is het onze pedagogische kunst om die kinderen er van te overtuigen het met hulp in een aangepaste situatie toch te proberen. Als je een angstige situatie hebt meegemaakt met je lijf gaat dat meteen heel diep het geheugen in. Bijvoorbeeld keihard een bal tegen je gezicht krijgen; dat zet je niet zo makkelijk weg. Dus mensen moeten het niet zo bagatelliseren.”

De angst werd vroeger nog minder serieus genomen. “Het wordt steeds zichtbaarder. Tegenwoordig is er veel meer aandacht voor zo gedifferentieerd mogelijk gymnastiek onderwijs geven.” De drijfveer van docenten als Van Weenen is niet zo zeer dat alle kinderen in de gymles optimaal kunnen meedoen op een zo hoog mogelijk niveau. “Ik vind het vooral belangrijk dat ze met elkaar kunnen spelen en bewegen. Als dat niet lukt door bijvoorbeeld angst, kun je niet samen opgroeien. Daardoor zou je sociaal emotioneel ook niet kunnen aansluiten.”

Ze geeft ook aan dat er anders gekeken moet worden naar waar kinderen zelf vaak mee komen. “Net doen alsof je een blessure hebt, ruzie maken, je gymspullen vergeten, vier keer in de maand ongesteld zijn; noem alle trucen maar op. Dat zou juist een signaal moeten zijn voor gymdocenten om hun stof aan te passen. Het voelt op dit moment blijkbaar nog niet veilig genoeg.”