Met de versoepelde lockdown in aantocht, kan het sociale leven voor veel mensen weer een stukje drukker worden. Leuk voor mensen die gemakkelijk nee kunnen zeggen, maar niet voor hen met de Fear Of Missing Out (FOMO). Wat kan je doen tegen de drang om overal bij te zijn?

Lekker een terrasje pakken, met twee vrienden thuis zitten of eindelijk weer eens om klokslag twaalf uur naar huis gaan. Het kan allemaal weer na 28 april. De versoepelde lockdown wordt door sommige studenten waarschijnlijk met open armen ontvangen. Voor sommige onder hen breekt er daarentegen een periode aan van conflict. Zij die het lastig vinden om nee te zeggen, of niks willen missen in hun sociale leven. Dit met mogelijk serieuze gevolgen nadien.

Zo kan Amber, student aan de Fontys Academy for Creative Industries, stellig bevestigen. Tijdens de lockdown had ze geen andere keus als in haar zonovergoten werkkamertje blijven zitten. Met de recente aankondiging kijkt er naar uit om wat te mogen doen, en vreest tegelijkertijd voor wat er zal komen.

Volwassen worden

Het hondengeblaf is vanuit de verte al te horen uit het huis waar Amber werkt. Niet haar eigen honden, ze past op tijdens kantooruren op die van haar buren. Zo kan ze er af en toe toch even tussenuit, al is het maar een deur verder. Terwijl ze een sigaret aan het schieten is op de werktafel, vertelt ze verheugd over de versoepelingen die eraan komen. Toch zit er ook een randje aan, zo vertelt Amber: ‘’Sinds dat ik in Tilburg ben gaan wonen, is mijn drang om dingen niet te missen geëxplodeerd.’’ Door haar gedrag heeft ze schoolopdrachten niet gehaald, met katers op werk gestaan en vaak dubbele afspraken gepland. Terwijl ze achter haar Macbook verhit verder tikt aan een verslag, somt ze een paar symptomen van haar FOMO op: een onrustig gevoel, continu de telefoon checken, moeite met concentreren, dingen uitstellen, last van stress- en slaapproblemen.

Volgens Professor Bas van den Putten, professor social and behavioural studies aan de Universiteit van Amsterdam (UvA), is ze niet de enigste. Van den Putten: ‘’Het is een fenomeen dat heel erg is opgekomen door sociale media. Je ziet alsmaar waar mensen mee bezig zijn, en word je tegelijkertijd meer bewust van dat je er niet bij bent.’’ De professor vertelt daarbij iets wat waarschijnlijk niet prettig is voor mensen met FOMO; er is namelijk niet veel wat je aan dit gevoel kan doen, behalve het ondergaan. Van den Putten: ‘’De oplossing is om niet op je telefoon te kijken. Dat zal ‘m voor veel mensen niet worden.’’ FOMO heeft volgens de professor alles te maken met de leeftijd van studenten en erbij willen horen. Dat gevoel zou volgens hem pas weggaan als de frontale cortex, waarin de impulsiviteit van een mens wordt bepaald, is volgroeid. Dit is gemiddeld rond het vijfentwintigste levensjaar.

Behoefte

Tijdens haar korte rookpauze vertelt Amber dat zij en haar groep vrienden niet veel te doen had in de afgelopen maanden. Daardoor had ze naar eigen zeggen niet het gevoel alsof ze iets heeft gemist. Bij het woord ‘versoepelingen’ laat de studente een kleine vreugdekreet. Amber: ‘’Ik heb er heel veel zin in maar vorig jaar mei had ik alleen werk. Nu moet ik gaan afstuderen, stagelopen, scriptie schrijven en gaan werken. Ik denk dat ik met alles combineren wel een beetje in de knoop ga raken.’’ Toch ziet de bijna afgestudeerde studente wel een oplossing door middel van een strikte planning. De grootst storende factor daarbij is dat ze in de horeca werkt:‘’Als ik zie dat andere mensen wat gaan doen, kan ik mezelf gewoon echt niet tegenhouden. Ik moet er dan bij zijn.’’ De vraag of de goedlachse scholier het daadwerkelijk volhoudt, moet ze naar eigen zeggen ook zelf nog zien te beantwoorden.

Van den Putten kan het gevoel van Amber wel begrijpen, zo vertelt hij: ‘’Jongeren hebben veel behoefte aan groepscontacten. Daar is nou eenmaal een heel intrinsieke behoefte.’’ Maar ook de aanleg van een student speelt daarbij ook een rol, zo vertelt de professor: ‘’Sommige mensen zijn heel erg op het hier en het plezier gericht. Anderen zijn van nature beter in bedenken wat er op de lange termijn verstandig is.’’ Hoe dan ook juicht de socioloog een actief gedrag van jongeren wel aan. Van den Putten: ‘’Jongeren moeten de wereld in gaan, dingen uitproberen en moeilijke dingen gaan doen. Anders blijven ze maar onder de rokken van hun moeder hangen. Je nu ontwikkelen is hartstikke belangrijk.’’