Boudewijn de Groot kondigde vandaag aan dat hij stopt met optreden. Na een carrière van 56 jaar concerten spelen, verlaat de zanger het podium in stilte. Ook jongeren komen nog altijd in aanraking met ‘de Bob Dylan van de Lage Landen’ en zien een langlopend succes tot een einde komen.

Nog één laatste optreden, dat is wat Boudewijn de Groot op de planning had staan, op toer samen met George Kooymans (Golden Earring) en Henny Vrienten (Doe Maar). Maar dat gaat niet meer door, schrijft hij op zijn website. ‘Corona, in eerste instantie, en de ziekte van George’ – Kooymans lijdt aan ALS – maakten dat het laatste optreden van De Groot er niet zal komen. “In dit geval dus de spreekwoordelijke nachtkaars.”

Het maatschappijkritische succes

Hoewel De Groot al een tijdje terug bekend werd, is er ook in de jongere generatie teleurgesteld publiek. Wouter Bakx (23) is al jaren fan: “Ik heb hem nooit live kunnen zien. Dat had ik wel graag gewild. Maar als hij tijdens zijn pensioen blijft schrijven en af en toe nog eens iets uitbrengt, dan ben ik gelukkig genoeg.”

De 76-jarige artiest kwam als boegbeeld van de Nederlandse tegencultuur op in de jaren 60 met hits als Het Land van Maas en Waal en Welterusten Meneer de President. Hij scoorde in 1996 nog een grote hit, Avond, die ieder jaar weer hoog in de Top 2000 van Radio 2 verschijnt. “Hij bracht een boodschap met zijn muziek. Niet op een belerende manier, maar wel maatschappijkritisch”, vertelt popjournalist Jolwin Dobbelsteen.

Wat zijn muziek uniek maakt

De Groot geeft aan nog wel muziek te blijven maken en te blijven schrijven. Volgens Dobbelsteen moet daarbij wel iets gezegd worden: “De beste nummers zijn toch wel degene die geschreven zijn door Lennaert Nijgh, de tekstdichter die in 2002 overleed. Dus of er nog iets bijzonders komt, dat durf ik niet te voorspellen.”

De teksten die bij het grote publiek binnenkomen bevatten historische aspecten en verhalen. Het gaat over van alles en nog wat. Zo vertelt Bakx: “Het is tijdloze muziek. Je kan zijn nummers nu nog aanzetten en realiseren dat er eigenlijk niks veranderd is in de menselijke aard.”